Je loonstrookje van januari zag er net iets anders uit dan vorig jaar, maar je wist niet precies waarom. Inmiddels is het juli en merk je misschien dat je maandelijks iets meer of minder overhoudt dan je had verwacht. De belastingwijzigingen die dit jaar zijn ingegaan, hebben voor de meeste mensen ondertussen concreet effect. Sommigen houden elke maand tientjes meer over, anderen lopen aan tegen een hogere belasting bij hun aangifte dan ze rekenden. In dit artikel zet ik per situatie uit wat het jou in gewone euro’s kost of oplevert.
Waarom dit nú relevant is
De aangifte over heel 2026 vul je pas volgend voorjaar in, maar de spelregels gelden al vanaf 1 januari. Dat betekent dat elke euro die je nu verdient of spaart, al onder het nieuwe regime valt. Als je een voorlopige aanslag hebt, of als je belastingvrije vermogenspositie anders uitpakt dan vorig jaar, loont het om dat nu te bekijken en niet pas in maart wanneer de belastingdienst je een rekening stuurt.
Nieuwe schijftarieven in de inkomstenbelasting
Box 1 kent in 2026 twee schijven voor mensen onder de AOW-leeftijd. De eerste schijf loopt tot ongeveer 38.441 euro en wordt belast tegen 35,82 procent. Daarboven betaal je 49,50 procent. Voor gepensioneerden (boven AOW-leeftijd) geldt een lager tarief in de eerste schijf, omdat zij geen AOW-premie meer betalen: dat komt uit op circa 17,92 procent over het gedeelte tot de schijfgrens.
Het tarief in de eerste schijf is ten opzichte van vorig jaar iets gedaald, maar de schijfgrens is ook aangepast. Of jij er per saldo op vooruitgaat, hangt af van waar jouw inkomen precies valt.
Rekenvoorbeeld 1: modaal inkomen (40.000 euro bruto)
Stel je verdient 40.000 euro per jaar. Een klein stukje valt dan in de tweede schijf. Na toepassing van de arbeidskorting en algemene heffingskorting betaal je netto iets minder dan voorheen, ruwweg 25 tot 35 euro per maand meer in je portemonnee. Geen bedrag om van te juichen, maar op jaarbasis telt het op tot zo’n 300 tot 420 euro extra netto. De exacte uitkomst verschilt per situatie, maar de richting is positief voor modale inkomens.
Rekenvoorbeeld 2: twee keer modaal (80.000 euro bruto)
Bij 80.000 euro bruto speelt het afbouwtraject van de arbeidskorting een grote rol. De arbeidskorting wordt bij hogere inkomens geleidelijk afgebouwd, en bij dit inkomensniveau zit je ruim in dat traject. Het gunstigere tarief in de eerste schijf wordt hier deels tenietgedaan door de afbouw. Per saldo ga je er nauwelijks op vooruit, en in sommige gevallen, afhankelijk van aftrekposten, zelfs licht op achteruit. Reken op een effect van min 10 tot plus 15 euro per maand, afhankelijk van je specifieke situatie.
Veranderingen in de arbeidskorting en algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting is in 2026 verhoogd voor lagere inkomens, maar wordt sneller afgebouwd naarmate het inkomen stijgt. Bij een inkomen boven circa 23.000 euro daalt de korting geleidelijk, en rond 69.000 euro is die volledig verdwenen. De arbeidskorting is voor inkomens tot ongeveer 40.000 euro verhoogd, wat de positieve uitwerking verklaart die je in rekenvoorbeeld 1 ziet.
Concreet advies: als jij of je partner een deeltijdinkomen heeft van rond de 20.000 tot 30.000 euro, profiteer je extra van de verhoogde heffingskorting. Laat dat niet onbenut.
Rekenvoorbeeld 3: gepensioneerde met AOW en aanvullend pensioen
Neem iemand van 68 jaar met een AOW-uitkering van 16.000 euro en een aanvullend pensioen van 14.000 euro, totaal 30.000 euro. Door het lagere tarief in de eerste schijf voor AOW-gerechtigden en de ouderenkorting (die in 2026 iets verhoogd is) betaalt deze persoon netto minder belasting dan een paar jaar geleden. Het voordeel loopt al snel op tot 200 tot 400 euro per jaar. Let wel: de ouderenkorting wordt ook afgebouwd bij hogere pensioenen. Boven circa 44.000 euro totaal pensioeninkomen verdwijnt de korting snel.
Eigenwoningforfait 2026
Het eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde tussen 75.000 en 1.310.000 euro bedraagt in 2026 0,35 procent. Dat is hetzelfde als het vorige jaar, maar de WOZ-waarden zijn in veel gemeenten opnieuw gestegen, dus het bedrag dat je bij je inkomen moet optellen, is automatisch hoger geworden zonder dat het percentage veranderd is.
Rekenvoorbeeld 4: huis met WOZ-waarde van 350.000 euro
Bij een WOZ-waarde van 350.000 euro bedraagt het eigenwoningforfait 0,35 procent, dus 1.225 euro per jaar. Als je hypotheekrente hoger is dan dat bedrag, mag je het meerdere aftrekken, maar alleen tegen het tarief van 36,97 procent (het aftrekpercentage voor eigenwoningkosten is in 2026 begrensd). Is je hypotheekrenteaftrek 5.000 euro en je forfait 1.225 euro, dan trek je per saldo 3.775 euro af. Fiscaal voordeel: 3.775 keer 36,97 procent is ruim 1.395 euro per jaar. Loont nog steeds, maar minder dan een paar jaar geleden bij hogere tarieven.
Box 3: de stand van zaken in 2026
Box 3 is al jaren het rommeligste hoofdstuk van het belastingrecht. Na de rechtbankuitspraken over de strijdigheid van het oude stelsel geldt er nog steeds een overbruggingsstelsel op basis van werkelijk rendement per vermogenscategorie. De belastingdienst rekent met fictieve rendementen per categorie: spaargeld, beleggingen en onroerend goed worden verschillend behandeld.
Voor 2026 geldt ruwweg: over spaargeld rekent de belastingdienst een laag fictief rendement aan (dicht bij de werkelijke spaarrente), over beleggingen een hoger percentage. Het belastingtarief in box 3 is 36 procent over het toegerekende rendement, na aftrek van het heffingsvrij vermogen van circa 57.000 euro per persoon.
Rekenvoorbeeld 5: spaarder versus belegger met 80.000 euro vermogen
Stel je hebt 80.000 euro. Na aftrek van het heffingsvrij vermogen (57.000 euro voor een alleenstaande) resteert 23.000 euro belastbare grondslag.
- Als spaarder: de belastingdienst rekent een fictief rendement van circa 1,44 procent over spaargeld (gebaseerd op de gemiddelde spaarrente). Over 23.000 euro is dat 331 euro aan toegerekend rendement. Belasting: 36 procent is circa 119 euro per jaar.
- Als belegger (aandelen of fondsen): het fictieve rendement ligt op circa 6,04 procent. Over 23.000 euro is dat 1.389 euro toegerekend rendement. Belasting: 36 procent is circa 500 euro per jaar.
Het verschil is dus bijna 400 euro per jaar bij gelijke vermogens. Of dat eerlijk is, laat ik aan de rechter over, maar het is wel de werkelijkheid waarmee jij nu rekening moet houden.
Wat je nu al kunt doen
Halverwege het jaar is een goed moment om je voorlopige aanslag te controleren. Als je situatie veranderd is (hoger inkomen, nieuwe hypotheek, meer vermogen) en je voorlopige aanslag is te laag, kun je een naheffing verwachten. Dat is beter nu te weten dan in april volgend jaar.
Middeling is als regeling overigens afgeschaft voor inkomstenjaren vanaf 2023, dus dat is geen optie meer voor je aangifte over 2026. Bezwaar tegen de box 3-aanslag kan nog steeds zinvol zijn als jouw werkelijke rendement lager is dan het fictieve rendement dat de belastingdienst gebruikt, zeker als je aanzienlijk vermogen hebt in beleggingen die dit jaar slecht presteerden.
Checklist: drie situaties die vragen om actie vóór 31 december 2026
1. Je hebt een voorlopige aanslag die niet meer klopt. Inkomen gestegen of gedaald? Pas de voorlopige aanslag aan via Mijn Belastingdienst. Zo voorkom je een onverwachte rekening of geef je de belastingdienst onnodig een rentevrije lening.
2. Je hebt spaargeld of beleggingen boven 57.000 euro (of 114.000 euro met fiscaal partner). Controleer of je vermogensstructuur nog optimaal is. Geld in een lijfrente of pensioenproduct telt niet mee als box 3-vermogen. Stortingen in een lijfrente kunnen ook fiscaal aftrekbaar zijn, afhankelijk van je jaarruimte.
3. Je bent gepensioneerd en hebt een aanvullend pensioen boven circa 40.000 euro. De ouderenkorting loopt dan snel terug. Controleer of je voorlopige aanslag dit al verrekent, want anders betaal je volgend voorjaar bij.
Voor modale inkomens vallen de wijzigingen licht positief uit. Hogere inkomens merken weinig verschil. Gepensioneerden met een bescheiden pensioen profiteren van de verbeterde ouderenkorting. Box 3 blijft het meest onzekere onderdeel, zeker als je belegt en je werkelijke rendement afwijkt van de fictieve percentages die de Belastingdienst hanteert. Controleer je voorlopige aanslag, bekijk je vermogenspositie op peildatum 1 januari en zorg dat je weet waar je staat voordat je aangifte doet. Een kwartier uitzoeken nu voorkomt een onaangename verrassing later.


